01 nov '20

Dode stadsvlucht

1782
door Koen Demarsin
Met de dood weten we niet goed om te gaan. De laatste twee eeuwen duwen we onze doden steeds verder weg, naar de rand van het dorp of van de stad, daar waar het platteland begint.

Zo gaan de begraafplaatsen van de doden de steden van de levenden vooraf. Maar bij wie van zijn geliefden afscheid moet nemen, blijft de nood aan nabijheid bestaan. Onze veranderende begraafgewoonten kunnen alvast helpen om deze afstand opnieuw te overbruggen.

De kloof van de dood

Als we vandaag afscheid nemen van onze gestorven geliefden, dan zeggen we echt vaarwel. Na nog één blik of een woord dat we voor altijd willen vasthouden, leidt onze laatste tocht samen naar het graf. We doen dit nog maar zelden te voet, want de begraafplaats ligt vaak verder weg. Tijdens deze tocht begeleiden we hen zacht maar duidelijk van de rand van onze wereld naar de wereld van de doden ergens buiten het centrum van het dorp of de stad.

Onze omgang met de dood is lastig. Wanneer we afscheid nemen, nemen we ook afstand van een lichaam dat nutteloos wordt voor wie achterblijft. We weten er geen blijf mee. Samenleven met de dood past slecht in onze huidige werkelijkheid, waar duidelijkheid en nut de maatstaf zijn. Wat niet meteen nuttig lijkt in onze dagelijkse waarneembare wereld is minder van tel en wat niet meer telt, duwen we naar de rand. De dode lichamen zijn loze gewichten geworden zonder eigen toekomst waarmee wij niets meer kunnen aanvangen. Onze doden hebben voor ons geen toekomst meer. Maar ook, ze drukken ons met de neus op de feiten. Ze confronteren ons met de grenzen van ons kunnen en met ons onvermogen om onze levens te beheersen. Het eeuwige leven is nog niet voor morgen. De dood heeft daardoor iets gênants en onaangenaams.

Onze geliefden blijven we respectvol herinneren, met foto’s op een kast, in verhalen, soms zelfs met een urne thuis. Op herinneren of vergeten staan geen tijd of datum, behalve voor de wet. De herinnering aan het dode lichaam kan zolang de eigen financiering en de regels het toelaten: vijftig jaar op zijn meest en dan eventueel verlengbaar. Dat is intussen ook de regel voor wie zich met een altijddurende concessie ooit veilig achtte. Vanaf de dood zijn onze werelden gescheiden, vaak zelfs door een dikke bakstenen muur en een smeedijzeren hek. De grens tussen de wereld van de levenden en deze van de doden is daardoor bijna onoverbrugbaar. Wie sterft, komt niet meer in onze wereld binnen en wie nog leeft, kan bij de dode op bezoek. Dat bezoek krijgt één keer per jaar de volle aandacht in de herfst. Erna wordt de dood terug wat ze was: een randfenomeen. 

Gedoemd om te verblijven in de marge is het niet zo verwonderlijk dat er heel wat begraafplaatsen in de stadsrand rond Brussel te vinden zijn. Soms zijn het idyllische plaatsen bij een bos of een plaats waar slechts de beek de begraafplaats van de velden scheidt. Maar vaak ook zijn het plekken die niemand nog wil of kan gebruiken, geklemd tussen spoorwegen of onder de opstijgroute van de luchthaven zoals in Haren of Jette, pal naast de snelweg zoals in Kraainem of naast het aanhoudende gezoem van een transformatorstation zoals in Sint-Ulriks-Kapelle.

Het kerkhof uit het midden

Wie leeft gaat verder, wie sterft is er geweest. De betekenis die voorouders in onze levens spelen vandaag, is al bij al beperkt. Ooit was onze relatie met de doden meer dan herinneren alleen. Meer dan 1.000 jaar lang was de christelijke wereld van de levenden en die van de doden één. In het Duitse Paderborn besloot keizer Karel de Grote in het jaar 785 van onze jaartelling dat alle doden niet langer verbrand, maar begraven moesten worden. De reden was duidelijk. De oude heidense praktijken waren een doorn in het oog van de christelijke vorst en zouden niet langer geduld worden. ‘Wij bevelen dat de lijken van de christelijke Saksen naar de begraafplaatsen van de kerk worden gebracht en geenszins naar de grafheuvelen der heidenen!’, zo valt in artikel 22 van het concilie te lezen. En voor wie toch de nieuwe regels zou overtreden, waren volgens artikel 7 de consequenties duidelijk: ‘Indien iemand naar heidens gebruik het lichaam van een gestorven mens verbrandt en zijn gebeente terugbrengt tot as, wordt hij gestraft met (het verlies van) zijn hoofd’. Duidelijker kan haast niet.

De herinnering aan het dode lichaam kan zolang de eigen financiering en de regels het toelaten: vijftig jaar op zijn meest en dan eventueel verlengbaar.

De keizer had besloten om zijn nieuw overwonnen onderdanen politiek en religieus stevig in het gareel te houden en daarmee werd de symbolische praktijk van het begraven een halszaak. Karel de Grote legde niet alleen de oudere gebruiken aan banden, maar zette de verhouding tussen leven en dood binnen onze gemeenschappen op scherp. Zonder begraven lichaam was er geen opstanding mogelijk wanneer Christus aan het einde der tijden opnieuw zou verschijnen. Onze voorouders waren in zekere zin dus niet dood, maar slechts in een lange rusttoestand. Samen met hun nakomelingen in de gemeenschap wachtten ze geduldig tot Hij komen zou. Wiens resten toch nog op de brandstapel terecht kwam, was daartoe veroordeeld voor de verschrikkelijke misdaad die hij beging als zedenschenner, ketter of voor hekserij. Aan hen werd het eeuwige leven voor altijd ontzegd. Er bleef letterlijk niets meer over. 

Zo verbleven onze voorouders eeuwenlang in het midden van de gemeenschap van de levenden en voor wie het nodige geld kon opbrengen, was er een droog plaatsje vrij dicht bij het altaar en het gebeente van de heiligen in de kerk zelf. Het kerkhof was er niet alleen voor wie stierf, het was ook een verzamelplaats van de levenden. Handelaars hielden er markt en ambachtslui voerden er hun werk uit, dorpelingen kwamen er samen, er werd geruzied en gevreeën. Begraafplaatsen waren verre van de verstilde plekken van vandaag. Levenden en doden maakten deel uit van één eeuwigdurende gemeenschap, met tussen hen in een vage grens en de beschikking van Gods onkenbare wil. Al waren ze lijfelijk niet meer daar, in de geest bleven onze voorouders aanwezige beschermers die voor ons konden bemiddelen bij een afstandelijke god. Ze waren daardoor dichtbij en ver weg tegelijk, een eigenschap die de levenden nog niet was gegund. 

Deze bijzondere band verbrokkelde langzaam vanaf het eind van de 18e eeuw. Ook dit keer lag een vorstelijke beslissing aan de basis. De Oostenrijkse keizer Jozef II, die in die tijd over onze gebieden regeerde, besloot dat sinds 1 november van het jaar 1784 doden niet meer in kerken begraven mochten worden, dat kerkhoven in de steden plaats moesten ruimen en dat de nieuwe begraafplaatsen buiten de muren gezocht moesten worden. Deze beslissing had zo zijn redenen. Doordat graven in en rond de kerkgebouwen steeds weer geopend werden om plaats te maken voor de nieuwe doden was het er niet altijd prettig vertoeven. Gelovigen moesten maar kunnen leven met de stank, de instabiliteit en het instortingsgevaar. Het was ook maar de vraag in welke gedaante al die doden aan het einde der tijden zouden opstaan, want regelmatig waren ze opzij geschoven om plaats te maken voor nieuwe doden, zodat er van een volledig skelet niet steeds meer sprake was. Al waren de redenen eerder rationeel en van hygiënische aard of ingegeven door plaatsgebrek, de band tussen de twee werelden werd hierdoor doorgeknipt, alvast in de steden. 

Uitdijende dodenakkers

Brussel ontsnapte niet aan deze nieuwe wet. De kerkfabrieken gingen op zoek en vonden grond voor nieuwe begraafplaatsen in Sint-Joost-tenNode in het oosten, Sint-Gillis in het zuiden en Sint-Jans-Molenbeek in het westen, toen nog landelijke dorpen die net buiten de middeleeuwse stadsmuren lagen. De rust was van betrekkelijk korte duur, want nog geen eeuw later moest Brussel opnieuw op zoek naar een oplossing. De groei van de industrie en de welvaart in de 19e eeuw had een grote aantrekkingskracht op de stad en deed haar bevolking groeien. Daardoor raakten niet alleen de begraafplaatsen verzadigd, maar ook de oude stadsinfrastructuur, de nutsvoorzieningen en de huisvesting waren niet voorzien op de grote toestroom aan nieuwe inwoners met slechte en onhygiënische leefomstandigheden in de stad als gevolg. In 1866 brak er een grote cholera-epidemie uit die niet alleen Brussel trof, maar ook andere steden in binnen- en buitenland. De snelle groei en het uitbreken van de epidemie zette de stad en een aantal nabije gemeenten ertoe aan om opnieuw begraafplaatsen aan te leggen. Doordat in 1859 het beheer van de begraafplaatsen aan de gemeenten was toegekend en niet langer aan de kerkfabrieken konden ze hierover nu zelf de regie voeren. Zo opende Brussel in 1877 haar nieuwe 30 ha grote begraafplaats in het toen nog landelijke Evere. De nieuwe randgemeente Ukkel opende al een jaar na de epidemie in 1867 de begraafplaats aan de Dieweg en in 1875 nam WatermaalBosvoorde haar begraafplaats in gebruik aan de zoom van het Zoniënwoud. 

Indringers

Zo groeide naast de stad van de levenden ook de steden van de doden uit tot kleine en grotere dodenakkers, die steeds verder kwamen te liggen van het dorps- of stadsweefsel waartoe ze behoorden. Hongerig naar plaats, vormden ze de voorhoede voor de oprukkende stad van de levenden. Want ook in de afgelopen honderd jaar groeide de bevolking aan en kwamen de gemeentelijke begraafplaatsen steeds verder te liggen, zelfs tot voorbij waar vandaag de grens tussen het Brussels Gewest en Vlaanderen ligt. De begraafplaats van Anderlecht verhuisde in 1866 van de Sint-Pieter en Sint-Guidokerk naar het Bospark en uiteindelijk in 1954 naar Vogelenzang, pal op de grens met Sint-PietersLeeuw in Vlaanderen. Toen de begraafplaats aan de Dieweg verzadigd was, opende in 1945 het bestuur van Ukkel een nieuwe begraafplaats in de uithoek Verrewinkel.

Het kan nog verder, want sommige begraafplaatsen liggen helemaal buiten het huidige gewest. Van het centrum van Etterbeek tot aan haar begraafplaats in Wezembeek-Oppem is het zo’n 8,5 km ver of een voetreis van bijna twee uur. In Alsemberg ligt de begraafplaats van de gemeente Vorst op bijna 7 km afstand van haar hoofdkerk. De overgang is er bruusk. De grote begraafplaats met haar lange oprijlaan, keurige bomenrijen en perken voelt aan als een indringer tussen de omringende velden. De bestuurders en inwoners uit de buurt moeten de vraag van het gemeentebestuur van Vorst ook als onwelkom ervaren hebben, want getouwtrek over de locatie van de begraafplaats tussen Linkebeek, Beersel en Alsemberg, zorgde ervoor dat Vorst na 20 jaar wachten uiteindelijk in 1944 grond kon aankopen. De auto maakt de afstand intussen overbrugbaar, maar de barrières tussen de gemeenschap en haar doden blijft. De weg ernaartoe is lang en de begraafplaats ligt intussen over de gewestgrens in vreemd gebied. Nabestaanden die hier langskomen, zijn geen passanten maar reizigers. Van voorbijkomen is er geen sprake, hier is elke passage doelbewust. 

Roma Aeterna

De stadsbegraafplaatsen groeiden uit tot fantasienecropolen. Zoals de Romeinen hun overledenen in dodensteden langs de invalswegen van de stad begroeven, zo gaven de Brusselaars hun dodenwerelden buiten de stadsmuren vorm. Lange cipressen werpen nog steeds hun smalle schaduwen op de grote mausolea langs de Dieweg, de rijke 19e eeuwse opvolgers van de antieke Romeinse grafmonumenten langs de Via Appia in Rome. In Laken, waar de bekendste begraafplaats van het Brussels gewest ligt, ging ingenieur en schepen Emile Bockstael nog een stap verder. Hij ontwierp een net van ondergrondse grafgalerijen onder de mausolea, gelijkend op de catacomben nabij de invalswegen rond de eeuwige stad. De rustige zomen van het Zoniënwoud in Watermaal-Bosvoorde deden de architecten dromen van de Griekse dodenwereld. Ze herschiepen de plaats als de Elysische velden, de aangename en idyllische Griekse overkant van het leven waar de doden heengingen. Een grafgalerij, die dit kleine dodenrijk in een bovendeel en een benedendeel scheidt, heeft de vorm van een Griekse zuilengalerij. Al zijn het niet de Atheense filosofen, maar de burgers uit Brussel en de Rand die hier als oude schimmen ronddwalen. De ommuurde dodenparadijzen waren schijnwerelden in het groen: een vlucht ver van het alledaagse en een droombeeld. 

Zo groeiden de oude begraafplaatsen rond Brussel uit tot echte openluchtmusea. Befaamde kunstenaars en architecten uit binnen- en buitenland als Constantin Meunier of Auguste Rodin lieten er hun fraaie werken na. De begraafplaatsen lezen als een goed bewaard geschiedenisboek over de 19e en de vroege 20e eeuw. Opzichtige gedenkmonumenten op de begraafplaats van Brussel herinneren onder meer aan de slag van Waterloo of aan de Frans-Duitse oorlog van 1870, maar het zijn veeleer de namen van de doden die tot de verbeelding spreken. Art-Nouveauarchitect Victor Horta, die ook verschillende grafmonumenten ontwierp voor de Brusselse upper class, vond zijn laatste rustplaats in Elsene, net als kunstenaars Antoine Wiertz en Marcel Broodthaers. Joseph Poelaert, ontwerper van het Brusselse justitiepaleis ligt, net als burgemeesters Rouppe en Fontainas, in Laken begraven. Hun namen leven voort in de straten en de pleinen van de stad. Ook economische zwaargewichten ontbreken niet.

Centraal langs de hoofdlaan van de Diewegbegraafplaats ligt het witte klassieke tempeltje van bankiersfamilie Lambert. Op het fronton staat een zandloper afgebeeld. Ze vliegt met haar vleermuisvleugels het leven uit. ‘De tijd vliegt’, zo ook voor de ooit bekende doden van de Dieweg. Alleen de bescheiden grafsteen van Hergé, de geestelijke vader van Kuifje, trekt nog met enige regelmaat bezoekers aan. Door plaatstekort sloot de Dieweg kort na de Tweede Wereldoorlog haar deuren waarop de nieuwe begraafplaats van Verrewinkel haar taak overnam. Sindsdien overwoekeren struiken, bloemen en korstmossen grafzerken en nestelen boomwortels zich diep tussen de botten onder de zware dekstenen. Haast vergeten in de schaduw van de stad werd de Diewegbegraafplaats een kleine gedenkplek voor romantische zielen op reis naar het verleden. De afstand met de dagelijkse wereld van de levenden kan niet groter zijn. 

En toch… De wens van nabijheid en geborgenheid bij nabestaanden blijft. Opmerkelijk genoeg lijkt net crematie te helpen om die geborgenheid opnieuw te vinden. Intussen kunnen ze de asresten van hun geliefden ook thuis bewaren of bij zich dragen. Zo wordt de grens tussen levenden en de doden opnieuw vager.

 Deel jouw bedenkingen op de facebook-pagina van RandKrant. Auteur Koen Demarsin vult aan of geeft antwoorden.