01 okt '20

In den Congo

953
door Koen Demarsin
Sinds het einde van de 19e eeuw doken in onze omgeving verschillende verwijzingen naar Congo op. Cafés, straten, gedenk stenen, gehuchten of voetbalploegen werden genoemd naar onze vroegere Afrikaanse kolonie. Onschuldig of toch niet?

De meeste plaatsen zijn vandaag vergeten, net als de herinnering aan onze dagen in Afrika. Wat blijft, is de worsteling om het moeilijke erfgoed dat overblijft een nieuwe plaats te geven. Want intussen woedt de dekoloniseringsdiscussie volop en blijven symbolische monumenten en instellingen als het Afrikamuseum in Tervuren of de koloniale monumenten in Halle niet buiten schot. De herinnering aan ons Belgisch-Congolese verleden keert snel en onverwerkt terug. Hoe onze omgang met dit verleden en met de plaatsen die naar Congo verwijzen er binnenkort zal uitzien, is nog niet duidelijk.

Naar de bron van de Congo

Je hoeft niet ver te reizen om ver weg te zijn. In Bornem ligt het ‘Buitenland’ aan de oevers van de Schelde, in Gent rijdt de tram naar ‘Moscou’ en van Landen tot Wetteren liggen zogenaamde ‘Koreawijken’ verspreid door het land. Maar het kan nog dichter bij huis. In de schaduw van Brussel liggen verspreid een aantal verre plaatsen die veel met elkaar gemeen hebben. Stap aan het station van Halle maar op bus 165 richting Malheide. Na twintig minuten rijden, bereik je een afgelegen gehucht vlakbij het bos van Lembeek. De halte draagt de naam van haar omgeving: ‘Congo’. Congo in de Zennevallei prikkelt de geesten, maar Congo bij Lembeek is niet de enige verwijzing in de buurt naar de oud-kolonie van België. Zo’n 20 km verderop, in Vollezele bij Galmaarden, ligt de Congo berg. Twee verwijzingen naar Centraal-Afrika in kleine dorpen zo dicht bij elkaar is opmerkelijk. 

Kolenkappers? 

Waar de namen vreemd zijn, zijn fantasierijke verklaringen niet ver weg. De zwarte leurders, die tientallen jaren geleden in Lembeek van deur tot deur gingen om snoep te verkopen om een centje bij te verdienen, hebben wellicht niet veel met de herkomst van de namen te maken; de mijnwerkers misschien wel meer. Vaak wordt er voor de verklaring van de naam Congoberg in Vollezele gewezen naar de 19e eeuwse mijnkompels die in het zuiden van het Pajottenland leefden en elke dag met de trein naar de steenkoolmijnen in Wallonië trokken. Als zij na het harde werk thuiskwamen, zagen zij zo zwart als… Congolezen. Vele van deze mijnwerkers kwamen uit het gehucht ‘Achter den bos’ en met de tijd werd de heuvel waarop zij woonden beter gekend als ‘Congoberg’.

De Congo’s in onze buurt kunnen ook een heel andere herkomst hebben, en wel in hun afgelegen ligging. Want net zoals Congo voor België lagen zij ver weg van de bewoonde wereld. Het Vollezeelse gehucht ‘Achter den bos’ lag alvast hoog en afgelegen van de omringende dorpen. En hoewel het Lembeekse gehucht officieel bij het dorp hoorde, lag het er toch ver vanaf. Het gehucht had in 1899 al een eigen ‘Kermesse du Congo’ en beschikte sinds 1932 ook over een eigen soldatengroep om deel te nemen aan de jaarlijkse Lembeekse paasprocessie. De vele voetwegen liepen vaak niet alleen naar Lembeek zelf, maar wel naar het naburige Tubeke waarop de inwoners uit Congo aangewezen waren om daar als arbeiders in de fabriek te werken.

Op café

Maar misschien begint alles waar het zo vaak in dit land mee begint: met een pint op café. In Lembeek bestond namelijk een café ‘In de statie van de Congo’. Dat was ook het geval in Dworp, waar omstreeks 1917 een café ‘In de Congo’ stond, of in Liedekerke, waar de plaatselijke Congoberg (nog één!) vernoemd werd naar café ‘De Congo’, waarvan de eigenaar regelmatig naar Congo trok. Een café was ook een geschikte plaats om verdriet weg te drinken of terug te denken aan verloren dagen. Wat verder van Brussel, in Assent bij Bekkevoort, openden aan het eind van de 19e eeuw voormalige Afrikareizigers hun café ‘Congo’, nadat ze door opstanden in de diamantmijnen uit het koninklijke wingewest waren teruggekeerd, zoals ter plaatse wordt verteld. En zo waren er nog een café ‘Congo’ in Dilbeek en Sint-Martens-Bodegem, een zaal ‘De Congo’ in Ottenburg en wellicht nog een aantal meer. 

Van al deze cafés doorstonden er maar enkele de tand des tijds. Het café in Assent overleeft nog als taverne onder dezelfde naam, maar het bekendste café in de Rand rond Brussel is ‘In den Congo’ in Vossem bij Tervuren. Ook dit café is een meer dan 100-jarig monument. Hier is de geschiedenis oud en veelzeggend. De familie van de huidige eigenaars kocht het pand van een plaatselijke onderwijzer die lange tijd in Congo had verbleven. Sinds haar opening in 1914 is het café nooit van naam veranderd en vandaag is dit onafhankelijke café met haar goedkope dranken het kloppende hard van het dorp en een gekende trekpleister in de hele omgeving. 

De Ottenburgse voetbalploeg White Star, die in 1934 het levenslicht zag, verbond de kolonie ook met drank, al was het onrechtstreeks. De club noemde zichzelf naar haar sponsor, de Elsense brouwerij Leopold die sinds 1880 met haar ‘Koning der Bieren’ de herinnering aan de twee eerste vorsten van het land hoog in het vaandel droeg. Met haar White Star-bier voer ze mee op de koloniseringsgolf van de vroege 20e eeuw met op het bieretiket een ster die verwijst naar de vlag van toenmalig Kongo Vrijstaat.

Propaganda

Niet alle overblijfselen die herinneren aan onze dagen in Afrika zijn even onschuldig als een verwijzing naar een café. Het grootste en belangrijkste koloniale monument in de Vlaamse Rand is het gevolg van een bewuste koloniale en internationale politiek vanuit België.

Het park van Tervuren ligt bijna in de achtertuin van café ‘In den Congo’. In dit koninklijke domein bouwde Leopold II in 1897 zijn koloniale expo tijdens de Wereldtentoonstelling die datzelfde jaar in Brussel plaatsvond. Hij liet de Tervurenlaan aanleggen met een tramspoor zodat bezoekers eenvoudig vanuit de stad tot in het park raakten.

De tentoonstelling zelf was niet zomaar een voorloper voor wat in 1910 een echt koloniaal museum voor Midden-Afrika moest worden. Het was veel meer. Kosten noch moeite werden gespaard. Bekende art nouveau-ontwerpers als Henri Van de Velde en Paul Hankar gaven het paviljoen vorm. Leopold betrok vooraanstaande avant-gardekunstenaars als Fernand Khnopff en Philippe Wolffers die met het ivoor en het tropische hout uit de vrijstaat hun beeldhouwwerken vorm gaven. Dat resulteerde in enkele van de meest sprekende kunstwerken uit de periode. De ‘Mysterieuze sfinx’ van Charles Vanderstappen, een borstbeeld uit ivoor en zilver dat een verleidelijke, maar ook afstandelijke en gevaarlijk vrouw voorstelt, vangt de sfeer van die tijd: de rijkdom, de decadentie, maar ook de angst voor de toekomst in één iconisch beeld.

Congolees dorp

Zelfzeker kijkt alvast de stad Brussel, in de gedaante van een vrouw, op de promotieaffiche voor de wereldexpo. Aan haar voeten gaan alle volkeren, Aziaten, inwoners uit het Midden-Oosten, westerlingen en Afrikanen dezelfde harmonische toekomst tegemoet. De expo, zo lijkt wel, moest een hoopvol teken zijn voor alle aardbewoners en zou hen helpen om zij aan zij de weg daarheen te bewandelen, met Brussel en België als betrouwbare gids. Het Afrikaanse continent ontbreekt niet op de expo. De Onafhankelijke Kongostaat waarover Leopold als koning regeert, is één van de deelnemende landen. Voor de gelegenheid herschiepen de organisatoren en de koning het park van Tervuren tot een kleine kolonie. Aan de oevers van de grote vijvers liet hij drie Congolese dorpen bouwen bevolkt met Afrikanen die speciaal hiervoor uit Congo waren overgebracht. Met prauwen voeren ze over de vijvers en zorgden zo voor een levendige ervaring voor de bezoekers. De invulling van de harmonische boodschap van de wereldtentoonstelling moet voor de Afrikaanse deelnemers, die tot expostukken werden gereduceerd om de Congolsese politiek van Leopold te verdedigen, bitter hebben aangevoeld.

België en het buitenland zouden niet alleen de rijkdom en de grandeur van de jonge staat leren kennen, de expo moest vooral duidelijk maken tot wat voor weldaden het Afrika-avontuur van de vorst en zijn koloniale entourage leidde. De toonstelling was daarom een gedroomde gelegenheid om de geesten in eigen land in de juiste richting te krijgen. De menselijke tentoonstelling was daarbij een gok en de initiatiefnemers slaagden er maar deels in om het publiek aan hun kant te krijgen, want tijdens de loop van de expo kwam er vanuit verschillende hoeken kritiek op de opgestelde Congolese dorpen. Maar de toon was gezet, het Afrikaanse continent was intussen onlosmakelijk verbonden met ons land, en steeds meer Belgen raakten bij het koloniale avontuur betrokken. De verwijzingen naar Congo doken de decennia erna overal in onze omgeving op.

Donkere bladzijden

Congo kwam niet alleen tot leven door de verhalen van avonturiers, de pronkpaviljoenen of in stereotiepe beelden over afgelegen plaatsen. Het land kwam ook tastbaar nabij door missiebroeders en -zusters die België verlieten om vaak in moeilijke omstandigheden de nieuw ontdekte gebieden te kerstenen. De eerste paters van Scheut vertrokken uit Anderlecht in 1888. Die prille ondernemingen waren voor de eerste missionarissen die uit ons land vertrokken vaak riskante ondernemingen waarvan ze niet steeds levend naar huis terugkeerden.

Zuster Julie Van Wayenberg uit Neerijse stierf in 1900. Haar gedenksteen is niet mis te verstaan. Onder de Congoster op haar gedenksteen staat te lezen: ‘Koloniale pionier gestorven in Kongo voor de beschaving’. Ze was 28 jaar. Ook gestorven voor die beschavingsmissie zijn de vele slachtoffers die in de Kongo-Vrijstaat werden mishandeld of gedood. Eén van de verantwoordelijken voor deze gruweldaden was Jules Jacques, die omwille van bewezen diensten voor de natie en zijn rol tijdens de Eerste Wereldoorlog de adellijke titel van baron verwierf en daarbij ‘de Dixmude’ mocht toevoegen aan zijn naam. Hij kreeg door toedoen van de koloniale kring van Halle in 1932 postuum een monument en werd er vijf jaar later ook met een straat vereerd, een geste die er niet alleen voor moest zorgen dat zijn naam gezuiverd werd van wandaden, maar die hem ook een plaats bezorgde tussen de gerespecteerde heren die de natie mee opgebouwd en verdedigd hadden. 

Tijdens de Wereldtentoonstelling van 1897 stierven in Tervuren zeven Congolezen van de kou.

De slachtoffers van het vroege koloniale bewind vielen ook buiten de grenzen van het Afrikaanse continent. Ook in België vielen er slachtoffers. Zeven uit Congo overgebrachte ‘inwoners’ van de Afrikaanse dorpen van de expo overleefden hun verblijf in Tervuren niet. Zij waren verplicht om halfnaakt de dorpen te bevolken tijdens de ‘shows’. De koude Belgische zomer werd Ekia, Gemba, Kitoukwa, Mibange, M’Peia, Sambo en Zao fataal. Zij vonden hun graf in Tervuren in de ‘Geuzenhoek’, een ongewijd stuk grond aan de rand van het kerkhof dat duidelijk afgescheiden was van het gedeelte waar de plaatselijke katholieke gemeenschap begraven werd. Het zou nog meer dan vijftig jaar duren voordat zij uiteindelijk elk een graf kregen aan de noordzijde van de Sint-Jan-Evangelistkerk, niet ver van de plek waar zij hun kennismaking met België met hun leven moesten bekopen.

De nieuwe worsteling

Zo rijgen tot diep in de 20e eeuw in de Rand rond Brussel een aantal sporen aan elkaar die soms een licht werpen, maar even vaak een dikke schaduw leggen op onze dagen in Afrika. Of de gehuchten en cafés nu genoemd zijn naar mijnwerkers, Afrikareizigers of verre ongekende gebieden, zeker is dat het nieuws van het nieuw ontdekte en onmetelijk grote land na de wereldtentoonstelling ook onze dorpen binnen sijpelde en mee de kennis van de mensen kneedde. De grote wijde wereld kwam zo in taal en geest snel dichtbij. Intussen is deze herinnering aan het Afrikaanse continent bijna verdwenen. De meeste Congocafés sloten de deuren en slechts weinigen weten waar namen als ‘Congoberg’ en ‘De Congo’ echt naar verwijzen. Wat overblijft is de poging om deze moeilijke periode uit onze geschiedenis haar juiste plaats te geven, zeker nu de dekoloniseringsdiscussie volop woedt. Dat lijkt verre van eenvoudig. De zwijgende monumenten in het stadspark van Halle blijven dit onverwerkte verleden hard uitschreeuwen. De plegers van wandaden in de vrijstaat en in de kolonie zijn intussen gestorven. Hen kan niet meer  om verantwoording worden gevraagd. Nu kan alleen hun stenen nagedachtenis nog boeten voor hun daden. En dat doen ze. Beschuldigende graffititags op de beelden vragen machteloos om antwoorden voor wat er ooit in Congo gebeurde.

De stad besliste bij de heraanleg van het stadspark een nieuwe tekst bij het beeld te plaatsen die dieper ingaat op de wandaden in Congo. De Black Lives Matter beweging zorgde voor een stroomversnelling en trok de dekoloniseringsdiscussie verder open. Het stadsbestuur van Halle vroeg advies aan het Agentschap Inburgering en Integratie om de discussie over racisme en dekolonisering ten gronde te voeren. ‘Het traject rond de dekolonisering van de symbolen in Halle maakt deel uit van een breder antiracismebeleid’, zegt Nadège Goeman, diversiteitsambtenaar van Halle. ‘Door een bord te plaatsen of door een beeld weg te halen, zal racisme niet verdwijnen. De discussie moet verder gaan. In het verleden was er wel aandacht voor de problematiek, maar de recente protesten zetten het thema van dekolonisering en racisme opnieuw op de voorgrond.’ Door de thematiek te kaderen binnen een breder diversiteits- en racismebeleid lijkt de stad verder te gaan dan de opdracht van de parlementaire commissie die het koloniale verleden van België moet onderzoeken en waarvan in oktober een eerste rapport wordt verwacht. Tien experten zullen duidelijkheid moeten scheppen over de rol van België tijdens de koloniale periode en aanbevelingen formuleren om met dit verleden om te gaan. 

Opvallend: deze commissie heeft ook de opdracht om ‘concrete voorstellen uit te werken om onze collectieve geschiedenis te redden en te bewaren door de archieven over de kolonisatie beter te beschermen’. Wat dat precies zal betekenen voor onze omgang met beelden en plaatsen die naar de kolonisatie verwijzen, is nog onduidelijk. Het besmeuren van de Leopoldbuste in Halle en beelden elders geven mensen uit een misnoegde onderstroom alvast een duidelijke stem. Dat alleen al toont de rol aan die zulke beelden kunnen vervullen, zelfs na decennia relatieve rust. Congo is terug van weggeweest en drukt ons met de neus op de feiten. Misschien is bewust gedenken daarom wel beter dan willen vergeten, want het verleden haar juiste plaats geven, moeten we toch.

Vraag aan de lezers: Zijn of waren er in jouw buurt sporen die verwijzen naar Congo? Deel jouw bedenkingen op de facebook-pagina van RandKrant. Auteur Koen Demarsin vult aan of geeft antwoorden.