01 nov '19

Twee gezichten

505
door Tine De Wilde
Met zijn robuuste, afgeschilferde gevel, traliewerk voor de ramen en gesculpteerde metalen voordeur ziet de Villa Limpens er langs de drukke Brusselse Steenweg niet bepaald uitnodigend of vriendelijk uit. Zodra je echter de voordeur achter je dichttrekt, betreed je een andere wereld.

In de leefruimtes danst het binnenvallend licht op de glanzende parketvloeren. Je blik gaat automatisch naar buiten, naar de fantastische, glooiende parktuin met adembenemende bomen. Villa en vallei dragen ongetwijfeld de rijke geschiedenis van Jezus-Eik in zich. Tot in de 19e eeuw was Jezus-Eik een klein gehucht te midden van een groot bos dat deels koninklijk jachtdomein was. Bij het ontstaan van België werden delen van het bos ontgonnen voor industrialisatie. Drie woningen en een smidse werden hier in 1838 opgetrokken met waterput en een groot weiland. Hierdoor was de plek ideaal om dienst te doen als postwissel. Uitgeputte postkoetspaarden werden hier vervangen door uitgeruste paarden. De wisselpost verdween al snel door de komst van de trein en in 1850 vestigde de Gendarmerie van Overijse zich hier tot voor WOI. In 1932 kocht de familie Limpens het domein en bouwde het om tot buitenverblijf. De hoogst originele Belgische architect Henri Lacoste, gefascineerd door de Oudheid, stond in voor de verbouwingen. Hij doorweefde een fijne art-decostijl met historische en eigen elementen. Hij ging voluit mee in de Egyptomanie die woedde na de ontdekking van het graf van Toetanchamon in 1922. Te midden van het salon prijkt als schouw een monumentale Egyptische zuil met gereproduceerde hiërogliefen, taferelen uit de mastaba’s van het Oude Rijk.