01 jun '20

Zeg nooit spin tegen een hooiwagen

200
door Michaël Bellon
Hooiwagens zijn die lichtgewichten op acht hoge poten die we vooral in het voorjaar en het najaar aantreffen. Ze hebben echter niets te maken met hooi, en het zijn ook helemaal geen spinnen. Volg je nog?

Sam Van de Poel, een bioloog uit Kapelle-op-den-Bos, is als wetenschappelijk medewerker actief bij de cel natuurstudie van Natuurpunt. Wie meer wil weten over hooiwagens in Vlaanderen moet bij hem zijn. ‘Omdat bijna niemand anders met hooiwagens bezig is, word je al snel als specialist bestempeld’, lacht Van de Poel. Hij is niet op dagelijkse basis met hooiwagens in de weer, maar kwam ermee in aanraking in het kader van zijn thesisonderwerp voor zijn Master Biodiversiteit, conservatie en restoratie. ‘Een kameraad van mij onderzocht voor zijn doctoraat de bodemfauna in een hele reeks bossen, van Zweden tot Zuid-Frankrijk. Dat deed hij aan de hand van bodemvallen en hij had nog iemand nodig om de hooiwagens die in die vallen gevangen werden op naam te brengen. Ik was daar al mee begonnen voor Vlaanderen toen ik besloot om voor mijn thesis ook de rest te doen. Zo heb ik in totaal 36.000 hooiwagens geïdentificeerd en onderzocht.’

Schorpioenen

Van de Poel wil een misverstand uit de wereld helpen: hooiwagens zijn geen spinnen. Door de aanwezigheid van acht poten lijken ze op elkaar, maar in de evolutie zitten ze behoorlijk ver uit elkaar. Hooiwagens zijn genetisch zelfs meer met schorpioenen verwant dan met spinnen.’ Er zijn een aantal duidelijke verschillen. ‘ Spinnen maken webben, hooiwagens kunnen dat niet. Hooi wagens hebben ook geen gifklieren, maar knippen hun voedsel in stukken om het te kunnen eten. Spinnen hebben meestal acht ogen, hooiwagens twee. En het duidelijkst van al: bij spinnen zie je een insnoering tussen kopborststuk en het achterlijf, terwijl dat bij hooiwagens één bolletje is. Hooiwagens zijn ten slotte totaal ongevaarlijk voor de mens. Ze kunnen niet door de menselijke huid bijten.’

Nog een weetje: niet alle hooiwagens hebben lange poten. ‘Ongeveer de helft van de soorten heeft korte poten. De soorten met lange poten opereren meestal in de vegetatie boven de bodem, de kortpotigen in de strooisellaag en tussen de bladeren op de grond. Hooiwagens met korte poten zijn dan ook totaal onbekend bij de mensen.’ 

In totaal komen er in België 32 soorten voor. Een hooiwagensoort die je tegenwoordig vaak tegenkomt, is de Rode hooiwagen met een donker oranje, roodachtig lichaam en lange poten. ‘Dat is een soort die vrij nieuw is in onze streken, maar die zich sterk heeft uitgebreid en nu zowat overal voorkomt. Je ziet deze soort vaak op bosjes brandnetels of aan de voet van boomstammen.’ 

Met ‘hooi’ hebben hooiwagens niets te maken. ‘Ze komen juist voor op vochtige plaatsen, zoals in het bos. Alleen de echte hooiwagen kan iets beter tegen het droge en komt bijvoorbeeld ook voor op akkers waar weinig beschutting is. De naam komt van het feit dat je de meeste hooi wagens aantreft in de periode waarin het hooi wordt geoogst, in september. In het Engels spreekt men van harvestmen of oogsters. Daarnaast zijn er in Vlaanderen ook twee soorten die in het voorjaar volwassen zijn, waaronder de algemeen voor komende Voorjaarshooiwagen.’

Alleseters

Van de Poel krijgt nog geregeld hooiwagens binnen om te determineren wanneer er via bodemvallen informatie wordt ingewonnen over bepaalde biotopen, zoals bijvoorbeeld een nieuw ecoduct in het Zoniënwoud. Hij kent nog een aantal mensen die zich met hooiwagens bezighouden, maar voor de rest is het echt een groep die onderbelicht blijft in de wetenschappelijke wereld. ‘In Vlaanderen heb je een paar honderden spinnensoorten, een groot verschil met de 32 hooiwagensoorten. Opvallend is wel dat in de bodemvallen van dat Europees doctoraatsonderzoek naast 39.000 spinnen ook 36.000 hooi wagens werden gevonden. Dat de aantallen zo groot zijn, betekent waarschijnlijk dat hooiwagens belangrijk zijn als voedsel voor een heel aantal dieren. Ondertussen weten we ook dat hooiwagens net als regenwormen, kevers of pissebedden goede opruimers zijn. Het zijn alleseters en ze breken dood en levend plantaardig en dierlijk materiaal verder af zodat het voor andere levende organismen beschikbaar is om op te eten.’