01 dec '21

In galop
rond de stad

1660
door Koen Demarsin
Tijdens de Belle Epoque waren de paardenrennen een favoriet tijdverdrijf voor rijke Brusselaars. Heel wat paarden zetten hun beste beentje voor op de vele renbanen rond de stad. En al maakte de middenklasse de rensport een tweede keer groot, haar val aan het eind van de vorige eeuw was diep.

Met borst en baard vooruit, en met zilveren kepie op het hoofd, marcheert de koning door het beeld. In zijn spoor volgt een schare hooggeplaatste heren in uniform of in kostuum met buishoed op het hoofd. De zon staat hoog en de schaduwen zijn hard en kort. Ze doet de zilveren knopen en de sabels blinken in haar felle licht. L’arrivée du roi. Het is een beeld dat verwachting schept. Er staat iets te gebeuren, maar wat precies? Dat staat niet afgebeeld. Alleen de titel bij de foto vult de leegte: Hippodrome de Groenendael. Waarschijnlijk staan er nog heel wat mensen buiten beeld. Deftige burgers of jockeys met hun paarden staan te wachten tot Leopold II in zijn loge plaatsneemt. Dan kan het spel beginnen, niet alleen dat van de paarden, maar ook dat van zien en gezien worden op een zomerse julidag in 1889, toen op 22 juli de renbaan werd ingehuldigd.

Ontmoetingsplaats voor de rijken

L’arrivée du RoiDe renbaan mocht ook gezien worden. Met zijn omtrek van 2,6 km en een rechte looppiste stak het de renbaan van Oostende voorbij. Voor de aanleg moesten de oude Hakendreef en Stakendreef doorheen het woud wijken, net als meer dan 70 ha aan bomen. Drie jaar na de opening moesten de bezoekers niet meer afstappen in het nabije station van Groenendaal en de laatste kilometer te voet afleggen, maar bracht de trein uit Brussel hen via een eigen spoor tot aan de ingang van de renbaan. Ze moesten nu alleen nog zelf de steenweg over.

Rond Brussel waren er wel meer renbanen. Eind 19e eeuw was Brussel en haar omgeving het brandpunt, waar de levens en de belangen van industriëlen, bankiers en adellijke grondbezitters samenkwamen. De renbanen waren een belangrijke plek waar zij elkaar ontmoetten. Zij hadden niet alleen het geld om in paarden te investeren, maar ze hadden ook vrije tijd, iets waar de vele arme arbeiders uit hun fabrieken alleen maar van konden dromen. Brussel was ook de stad waar legerofficieren en andere militairen kwartier hielden. Samen met hun paarden konden de cavaleristen, die tot ongekende inspanningen in staat waren, een echte heldenstatus bereiken. Tijdens de legendarische militaire raid van 1902 legden de beste ruiters van West-Europa de 132 km tussen Brussel en Oostende in één dag af. Sommige ruiters reden deze afstand in minder dan 7 uur aan een gemiddelde snelheid van bijna 19 km/ uur. Op de stopplaatsen onderweg stroomde het volk in drommen toe en in de hippodroom in Oostende werden de afgepeigerde ruiters en hun paarden door een uitzinnige menigte toegejuicht.

Status maar ook vervoermiddel

Snelheid, heldenmoed, avontuur, prestige en geld. In deze opzwepende sfeer werd de paardensport groot. Kleine en grote renpistes schoten als paddenstoelen uit de grond. Tussen Vorst en Anderlecht lagen rond de eeuwwisseling twee tot drie renbanen op een kluitje bij elkaar, zoals een stadsplan uit 1904 laat zien. Een paar jaar later kregen Dilbeek, Zellik en Stokkel hun eigen baan. Andere pistes zoals die van Evere, Sint-Agatha-Berchem, Vilvoorde en de twee renbanen van Laken waren maar een kort leven beschoren of bestaan nog maar als vage herinnering bij een paar ingewijden. Brussel groeide met zo’n 15-tal pistes uit tot het hart van de paardenrensport van het land. Al was het bestaan van sommige pistes in het begin onzeker, primitief of hadden ze een eerder schimmige reputatie, ze trokken de paardenrennen weg van de geïmproviseerde koersen door dreven en velden. Hierdoor kregen ze ook een meer formeel en burgerlijk karakter.

In een periode waarin er van de auto weinig sprake was, was het paard niet alleen een statussymbool, het was bovenal een nuttig dier, bijvoorbeeld om koetsen te trekken die de stedelingen door de stad vervoerde. Buiten de trein, die in de 19e eeuw opmars maakte, waren de vervoersmogelijkheden beperkt. De nieuwe renbanen lagen daarom best goed aangesloten op plaatsen waar de burgers eenvoudig te paard, maar vooral per trein konden geraken. Dat hielp niet alleen de bezoekers, maar ook goederen en paarden om eenvoudig op hun bestemming te komen.

Goed bereikbare trekpleisters

Oude treinbedding GroenendaalDe omgeving van Groenendaal met haar station en de Steenweg op Sint-Jansberg, die Tervuren met Waterloo verbindt, bood een goed ontsloten omgeving. De komst van de renbaan zorgde onder meer voor een nieuw stationsgebouw en voor een eigen treinhalte voor de renbaan zelf. Daardoor kon de buurt uitgroeien tot een mondaine trekpleister aan de zoom van het woud. De renbaan van Groenendaal moest een alternatief bieden voor de nabije renbaan van Bosvoorde met haar kleinere baan en scherpe bochten. Ze lagen niet ver van elkaar, exact één station langs de spoorlijn tussen Brussel en Luxemburg. De renbaan van Bosvoorde kreeg haar naam zelfs door de nabijheid van het station, want de baan zelf lag op het grondgebied van Ukkel. De hippodroom van Zellik kreeg haar eigen halte Renbaan op de lijn naar Dendermonde en ook de andere pistes lagen langs het spoor vanuit Brussel: Dilbeek op weg naar Aalst, Stokkel naar Tervuren en Anderlecht en Vorst tussen Brussel-Zuid en Vorst-Zuid richting Bergen.

Eind 19e eeuw waren de renbanen een belangrijke plek waar de rijken elkaar ontmoetten. Zij hadden het geld om in paarden te investeren én hadden vrije tijd.

Vlakbij de stations groeiden de hippodromen uit tot trekpleisters waar op koersdagen drommen bezoekers samenkwamen en waarrond tal van nevenactiviteiten het licht zagen. In Dilbeek floreerden de herbergen, die de bezoekers drank serveerden en gasten een bed bezorgden, terwijl plaatselijke boeren grond en boxen ter beschikking stelden om paarden te stallen. De stationsomgeving van Dilbeek, die in een uithoek lag, groeide dankzij de renbaan uit tot een tweede centrum met een eigen ritme. In Stokkel trok de renbaan de gegoede bevolking van de stad in die mate aan dat in die landelijke omgeving op korte tijd een nieuwe villawijk werd gebouwd.

Tweemaal braken de oorlogen van de 20e eeuw een bloeiperiode van de rensport af. Voor vrije tijd was er in die periodes maar weinig ruimte. De Eerste Wereldoorlog was een keerpunt. Hippodromen die in onbruik vielen, kregen een minder prozaïsche toekomst. Groenendaal werd een munitieopslagplaats en ging door een ontploffing bijna helemaal in vlammen op. Niet alle renbanen zouden de wereldbrand overleven, maar voor de grote pistes diende herstel zich aan. In de jaren 20 werd Groenendaal weer opgebouwd en in 1939 ging de laatste hippodroom van de Rand open in Sterrebeek, niet ver van Stokkel. Eén keer galoppeerden de hoeven over het parcours, vooraleer de oorlog voor een tweede keer oplaaide. Daarna werd de plaats een verzorgingstehuis voor paarden en na de oorlog een krijgsgevangenenkamp en een opslagplaats. Aan niet alles kwam tijdens de oorlog een eind. In Dilbeek bleven de koersen gewoon doorgaan, net als in Stokkel.

Andere tijden

De zon schijnt weer in Groenendaal. Witte kaartjes liggen als feestelijke confetti verspreid in het gras, bezoekers zijn fijn uitgedost en de sfeer is gemoedelijk. De agenten op hun ronde nemen de tijd om zich te laten filmen voor de lens van een amateurfilmer, op een warme dag ergens begin jaren 80. Alles lijkt als vanouds, maar niets is wat het lijkt. Tussen de luifels waaronder de mensenmassa de wedstrijd volgt, staat nog steeds de koninklijke loge. Niemand heeft er oog voor, alle blikken gaan naar het spektakel. Het lege gebouw is begroeid met klimop en maakt een verwilderde en verweesde indruk. Het is een bijkomstigheid geworden, daar waar hij ooit het centrum was. Het is niet meer zijn biotoop.

Er was iets veranderd. Na de Tweede Wereldoorlog bleef de rensport populair, maar dat was wel ten koste van haar exclusieve karakter. De groeiende middenklasse die intussen ook over vrije tijd en middelen beschikte, had de weg naar de renbanen gevonden. Daarmee wijzigde ook de sociale verhoudingen. Kroon en kapitaal speelden niet meer de hoofdtoon en dat werd in Groenendaal duidelijk. In dit nieuwe tijdperk kwam alle aandacht van de rensport op de oostrand van de stad te liggen met de nieuwe baan van Sterrebeek voorop. Ze nam niet alleen de galop van Stokkel over, maar ook de drafwedstrijden toen de baan van Dilbeek in 1951 sloot. De populaire jaarlijkse Mardi Graswedstrijd werd vanaf dan in Sterrebeek gereden. De piste van Stokkel sloot in 1957, de baan van Zellik nog eens twee jaar later. De sluiting van de drie banen hielp Sterrebeek om te groeien en de komst van de middenklasse bezorgde de paardenrennen in de Rand haar laatste piek. De drie overblijvende renbanen kenden hun laatste topdagen in de jaren 70 en 80. Het zou niet lang duren vooraleer ook voor hen het water aan de lippen stond.

De moeilijkheden waarmee de overblijvers te kampen hadden, kwamen soms uit onverwachte hoek. De eens zo goede ligging van Groenendaal begon in haar nadeel te spelen. Vanaf de jaren 50 raakte de auto ook bij de middenklasse goed ingeburgerd en grote verbindingsstraten kregen meer verkeer te verwerken. De Steenweg naar Sint-Jansberg werd opgeslokt door de Ring rond Brussel en veranderde van lommerrijke dreef naar een snelweg door het bos. Rond de baan waren de parkeermogelijkheden schaars en auto’s vonden hun plaats in de zijbermen van de snelweg of ze namen het grasplein in het midden van de piste in. De mobiliteit speelde uiteindelijk ook Sterrebeek parten. Op drukke wedstrijddagen – er waren er wel vier per week – raakte de buurt verzadigd van de auto’s en bezoekers uit West-Vlaanderen klaagden dat ze amper de Ring rond raakten. De rol van de trein was uitgespeeld, de halte van Groenendaal intussen gesloten en in Sterrebeek lag al helemaal geen spoor meer.

De hippodroom van Bosvoorde, de oudste in het rijtje, sloot de deuren in 1988. De twee andere overblijvers overschreden nog net de drempel van het nieuwe millennium: Groenendaal hield het in 2001 voor bekeken en overspant daarmee een volledige eeuw, Sterrebeek deed in 2005 de poorten dicht. Daarmee viel het doek definitief over de rensport in de Rand. Voor wie nog wedden wou, moest richting Kuurne, Waregem, Tongeren, Oostende of naar de nieuwe renbaan in het Henegouwse Ghlin. Van wat ooit de grootste en meest roemruchte renbanen van het land waren, blijft niet veel meer over. Alle gebouwen liggen intussen tegen de vlakte, behalve de koninklijke loge. Zij staat er in Groenendaal gerestaureerd maar nog even verweesd bij in wat ooit haar gedroomde omgeving was.

Een nieuwe golf?

De Prince Rose staat er leeg bij. Geen stoelen en tafels meer in de veranda, geen nerveus geluid van de flipperkast, geen paardensport op tv. Ook dit restant van de renbaan in Sterrebeek sloot intussen haar deuren. Genoemd naar het beste paard dat ooit in België heeft gelopen, droeg dit café de herinnering aan het Belgische renverleden met zich mee. Nu is het café zelf een herinnering geworden. Het gebouw staat er nog, net als de grote asfaltparking aan de voordeur, de brede oprijlaan en de toegangspoort. Met de sluiting verdween ook het geheugen van de renbaan. Al zijn de meeste gebouwen verdwenen, haar verleden sijpelt hier en daar nog door in de nabije ponyschool of als Horse Paradise, een grote moderne manege met paardenweides aan de overkant van het terrein. Voor wie er oog voor heeft, is de herinnering niet ver te zoeken. In de Grote Prijzenlaan en de 1.000-meterlaan is vanuit de lucht nog het evenwijdige tracé van de langgerekte baan van Stokkel te zien. Voor wie het weet, is in de afscheiding van de achtertuinen van de Stationsstraat in Dilbeek het oude parcours te herkennen. De rest is verkaveld in de Draversbaan, Renbaanlaan, Paddocklaan en de Renbaanvijver.

De renbaan van Sterrebeek deed in 2005 de poorten dicht. Daarmee viel het doek definitief over de rensport in de Rand.

De rijken zochten andere bezigheden op om zich met elkaar te meten. Golfen bijvoorbeeld, naar analogie van de eerste golfclub op het Ravensteindomein in Tervuren, dat onder impuls van Leopold II het levenslicht zag. Na jarenlange leegstand vormen ook de oude tribunes van Bosvoorde een statig decor voor golfers en daarnaast ook voor natuurliefhebbers of gezinnen, nu de renbaan een nieuwe bestemming krijgt als onthaalpoort van het Zoniënwoud. Wie had gedacht dat het domein in Sterrebeek na haar sluiting toegankelijker zou worden, had het mis. Ook hier bleek golf het beste antwoord op de vraag over de nieuwe bestemming, waarop de ontwikkelaars de oude piste herschiepen tot een hightech gedraineerd Engels graslandschap met bijhorend luxevastgoed. En al lijken de geelgors en de vleermuis hier hun habitat te kunnen behouden, de natuur van The National werd gevormd naar de ideeën van de ontwerper en voor een publiek dat het betalen kan. De ene piste werd vervangen door de andere en het geld blijft er rollen.

 Heb jij nog herinneringen aan de oude paardenrenbanen in de Rand of ken je er nog resten van? Deel het op de facebook-pagina van RandKrant. Auteur Koen Demarsin reageert.