01 mei '18

Een randtram
rond Brussel?

542
door Karla Goetvinck
Over de plaats van het Nederlands in de Rand moeten we assertief zijn, maar niet defensief. Kunnen we dan onze energie stoppen in problemen als onderwijs en sociale cohesie? Geven we de Rand een smoel? En doen we iets aan de slechte interne mobiliteit in de Rand? Het is de droom van Brigitte Raskin.

Onlangs heb ik twee dagen gekampeerd om mijn kleindochter in te laten schrijven in de kleuterschool van Maleizen, een gehucht van Overijse op de taalgrens. Ik vond de sfeer aanvankelijk niet zo aangenaam. Er was een overwegend groepje dat onderling Frans sprak, in een kring zat en besliste wanneer het licht uitging – we mochten binnen kamperen. Ik voelde me buitengesloten. Maar ’s anderendaags kwam er toch toenadering. Er werd veel meer Nederlands gesproken. Het gezelschap bleek uit de onmiddellijke omgeving en was heel gemengd, met een Koerd en een Colombiaan die met een Nederlandstalige vrouw getrouwd waren. Kortom: het kamperen eindigde met een gezamenlijke WhatsApp groep en een bloempje van iedereen voor de juf.'

DE ESSENTIE

‘Het meest onaangename in de Rand is als je te maken hebt met Franstaligen die de foute mentaliteit hebben, die denken dat Frans beter is, die pretentieus en dominant zijn. Maar die mentaliteit is grotendeels verdwenen, en wij, Vlamingen, zouden minder in het defensief moeten gaan. Gewoon zelfbewust, zonder ons kwaad te maken, op onze strepen staan. De taalgrens ligt vast, de Rand hoort bij Vlaanderen. En verder moeten we ons vooral met de essentiële problemen bezig houden.

De capaciteit van onze scholen bijvoorbeeld. Laat ons zorgen dat de anderstaligen of in elk geval hun kinderen goed Nederlands leren. Nederlandstalige scholen zijn in trek tegenwoordig. Ik heb als leerkracht nog huisbezoeken moeten afleggen om leerlingen te werven. Sindsdien is de status van het Nederlands fel gegroeid.’

‘Tegenwoordig zou je trouwens beter spreken over internationalisering in plaats van verfransing. En die internationalisering is toch ook een troef, je moet dat uitspelen. Een multinationale gemeenschap, dat is toch plezant. Voor mij mag bijvoorbeeld ook de programmatie van de culturele centra in de Rand wat internationaler. Ik moet wel zeggen dat den Blank, het cultuurcentrum van Overijse, zijn best doet. Maar waarom doen we niet zoals deSingel in Antwerpen: Frans theater in het Frans en Engels theater in het Engels, met ondertitels?'

SOCIAAL WEEFSEL

‘Ik woon in Bakenbos, een wijk op de grens van drie gemeenten: Overijse, Hoeilaart en La Hulpe over de taalgrens. De jaarlijkse Pinksterkermis is dus tweetalig, maar dat verloopt heel natuurlijk. Dergelijke tradities zijn belangrijk om het sociaal weefsel te versterken. Want dat is in een regio als de onze, met veel pendelaars en buitenlanders, wel nodig. Ik mis een soort gezelligheid. In Overijse, een dorp met vijf gehuchten die weinig aan elkaar hangen, is die samenhang nog moeilijker te verwezenlijken dan in een geconcentreerd dorp als Hoeilaart.’ 

‘Komt nog bij dat die druiventelers hier nooit aan elkaar gehangen hebben. Ik ben afkomstig uit Aarschot, maar mijn man komt uit een serristenfamilie uit Maleizen. Ik woon er ondertussen ook al 44 jaar en hoorde de verhalen. Het waren zelfstandigen die de prijs die ze van de druivenopkoper kregen niet aan andere serristen verklapten, zelfs niet aan de buren. Misschien speelt die mentaliteit ook nog mee.’

‘In het centrum van Maleizen is er een nieuwe wijk bijgekomen met betaalbare woningen op bescheidener percelen. Ik vraag me af of daar de samenhang niet groter is. Als je zo dicht op elkaar woont, kan je mekaar niet ontwijken. Wellicht moeten we in die richting.’ 

LANDMARKS

‘Daarnaast pleit ik ook voor enkele prestigieuze herkenningspunten. Het Afrikamuseum in  Tervuren wordt schitterend gerestaureerd, in de Plantentuin van Meise wordt geïnvesteerd, er komen toegangspoorten tot het Zoniënwoud. Dat moeten pronkstukken worden. Nu moet je zoeken naar de mooie plekjes achter de verkavelingen, de fermetten en de lintbebouwing. We moeten onze troeven uitspelen. De Vlaamse en de gemeentelijke overheden moeten investeren in natuur en erfgoed. Ik kan niet aanzien hoe het station van Groenendaal nog steeds niet is gerestaureerd. Ik word kwaad als ik in het centrum van Overijse het huis zie verkommeren waar ooit de bekende 16e eeuwse humanist Justus Lipsius woonde.

‘We moeten de Rand verbinden met de Rand.’

Ik heb de indruk dat er in de Rand veel wordt gerestaureerd met privékapitaal, maar die villa’s en kasteeltjes verdwijnen achter hoge hekken. We hebben nood aan publieke ijkpunten, plekken die wortelen in de geschiedenis van het dorp, plekken om trots op te zijn. Mijn dochter gaat binnenkort in een villa van de familie wonen in de buurt van het meer van Genval, een prachtige plek. Nu ligt dat meer voor het grootste en mooiste deel op het grondgebied van Overijse, maar we spelen dat niet uit. ’s Zomers is er daar elke donderdag een afterwork happyhour, maar daar hoor je vrijwel uitsluitend Frans. Waarom sta ik daar soms in mijn eentje iets te drinken onder onbekenden?’

OVERLEG

‘Een bijkomend overlegorgaan voor Brussel en de Rand zie ik niet zitten. België heeft al zo’n ingewikkelde structuur. Waarom is België honderd jaar geleden niet gewoon tweetalig geworden? Ik vermoed dat er al wel platformen bestaan waarbinnen overleg mogelijk is, maar dat ze niet werken.’ 

‘Ik denk wel dat er veel meer grensoverschrijdend overleg tussen buurgemeenten nodig is. We zitten hier te praten in GC de Bosuil in Jezus-Eik. Ik heb hier goede herinneringen aan, van toen ik nog voor RandKrant schreef en de redactie daarvan hier gevestigd was. De kerk hiernaast is mooi beschermd erfgoed uit de 17e eeuw, maar de gemeente Oudergem liet toe dat een automerk vlakbij een vreselijke, hoge, glazen toren neerpootte. Dat maakte de mooie dorpskern echt kapot.’

‘Je zou hier ook bijvoorbeeld grensoverschrijdende wandelingen kunnen promoten tussen Jezus-Eik en het Rood Klooster in Oudergem. Dat is een prachtige voormalige Augustijnerpriorij aan de overkant van de Ring. Maar daarvoor is er samenwerking nodig.’

SLECHT BEREIKBAAR

‘De mobiliteit in Brussel en de Rand is echt een probleem. Dan heb ik het over de files, het drukke sluipverkeer en het slechte openbaar vervoer. Ze zouden daar toch een oplossing voor moeten uitwerken, best via een gezamenlijke coördinator. Ik ben vandaag met de wagen van Maleizen naar hier moeten komen. Ik moet straks nog even langs de bibliotheek van Tervuren, hier vlakbij aan de andere kant van het Zoniënwoud, maar daarvoor moet ik met de auto over de Ring of anders moet ik een hele omweg maken via sluipwegen. De interne verbindingen in de Rand zijn echt slecht.’

‘Ik ga vaak naar de film of een museum in Brussel. Die stad is goed bereikbaar met het openbaar vervoer en dat vind ik heerlijk. Maar we zouden de Rand toch ook moeten verbinden met de Rand, niet enkel met Brussel. Waarom zal die nieuwe ringtram of ringtrambus slechts van de Heizel tot de luchthaven rijden? Waarom enkel parallel met de noordelijke Ring? Waarom geen openbaar vervoer helemaal rondom de hoofdstad? Dat is toch echt een gemiste kans.’

BRIGITTE RASKIN

  • Geboren in Aarschot op 25 juli 1947 
  • Woont in Overijse sinds 1974 
  • Master in de geschiedenis, KUL 
  • Lerares geschiedenis (1975-1989) 
  • Journaliste bij o.a. De Nieuwe, De Zwijger, RandKrant 
  • Won de AKO Literatuurprijs 1989 met haar boek Het koekoeksjong • Auteur van o.a. De taalgrens